Healing Hatred: van praten óver elkaar naar mét elkaar 

De oorlog in Israël en Palestina raakt mensen wereldwijd. Ook binnen de Protestantse Kerk leven uiteenlopende gevoelens, overtuigingen en zorgen. Sommigen voelen zich sterk verbonden met Israël, anderen wijzen op het lijden van Palestijnen en de positie van Palestijnse christenen. Het gesprek daarover kan ingewikkeld zijn en soms zelfs leiden tot verwijdering. Daarom pleit scriba Kees van Ekris ervoor om 'het gesprek te veranderen'Verder lezenScriba Kees van Ekris: 'Verander het gesprek'. Tijdens zijn ontmoetingen in Israël en Palestina in januari van dit jaar hoorde hij steeds opnieuw hoe belangrijk het is om ruimte te creëren voor echte ontmoeting en luisteren. Zo ontstaan zogeheten brave spaces: plekken waar mensen met verschillende overtuigingen in gesprek blijven, zonder elkaar te intimideren of weg te zetten. 

Ruimte maken voor verhalen 

Juist daarom nodigden de Protestantse Kerk en Kerk in Actie John Munayer en Gal Eblagon van het Rossing Center for Education and Dialogue in Jeruzalem uit voor een training in Nederland. Met hun Healing Hatred-methode helpen zij mensen om voorbij de standpunten te kijken en ruimte te maken voor de verhalen, waarden en dilemma’s die daarachter schuilgaan. De training was met 12 deelnemers uit de Protestantse Kerk die zich bezighouden met Israël en Palestina en qua standpunten van mening verschillen. “We wilden ontdekken of deze methode ook bruikbaar is in onze eigen kerkelijke context in Nederland”, zegt Wilma Wolswinkel, relatiebeheerder Israël en Palestina bij Kerk in Actie.  

John Munayer is een Palestijnse christen uit Jeruzalem. Zijn eigen levensverhaal laat zien hoe complex de werkelijkheid in Israël en Palestina is. “Ik groeide op op een Israëlisch-Joodse school”, vertelt hij. “Al jong probeerde ik te begrijpen wie ik was, wie de ander was en wat het betekent om samen te leven in deze omgeving.” 

Ook de Joods-Israëlische Gal Eblagon leerde al vroeg kritisch te kijken naar de beelden die groepen van elkaar hebben. “Als kind vroeg ik me af hoe onze samenleving ons opvoedt met bepaalde ideeën over de andere groep. Die nieuwsgierigheid is altijd gebleven. Ik wilde de ander eerst als mens leren kennen.”  

Bereid zijn de ander te ontmoeten 

Voor beiden werd die nieuwsgierigheid uiteindelijk een roeping. Zij kozen ervoor om zich in te zetten voor ontmoeting en dialoog tussen Israëli’s en Palestijnen. “Wij leven in een samenleving vol angst, pijn, haat en segregatie”, zegt Gal. “Dialoog is de enige manier waarop we elkaar werkelijk kunnen ontmoeten en samen kunnen werken aan verandering.” Voor John begint verandering met de overtuiging dat mensen kunnen groeien en veranderen. “Ik geloof in de menselijkheid van mensen, in hun verlangen naar leven, vrede en rechtvaardigheid. Als we echte gelijkheid en vrede willen bereiken, moeten we bereid zijn de ander te ontmoeten.” 

Vrede en rechtvaardigheid niet los van elkaar te zien 

Dat betekent niet dat moeilijke onderwerpen worden vermeden. Integendeel. Volgens John kunnen vrede en rechtvaardigheid niet los van elkaar worden gezien. “Je kunt geen echte vrede hebben zonder rechtvaardigheid, en geen echte rechtvaardigheid zonder vrede.” Ondanks het geweld en de pijn die het conflict met zich meebrengt, weigeren John en Gal de hoop op te geven. John vindt die hoop onder meer in mensen die, tegen de stroom in, blijven werken aan een rechtvaardige toekomst. Ook zijn geloof speelt daarin een belangrijke rol. “Na het kruis komt ook de opstanding. Die gedachte helpt mij om vast te houden aan hoop, zelfs te midden van diep lijden.” Gal ziet hoop in de mensen die juist tijdens de oorlog de moed hebben om elkaar te blijven ontmoeten. “Ondanks alle pijn en verdeeldheid kiezen Israëli’s en Palestijnen er nog steeds voor om met elkaar in gesprek te gaan en samen verandering te zoeken. Dat geeft mij hoop.” 

De haat helen 

Een belangrijk uitgangspunt van het Rossing Center is dat het conflict niet alleen politiek is. Onder de standpunten liggen vaak diepe emoties en collectieve trauma’s. Gal ziet hoe de gebeurtenissen sinds oktober 2023 oude wonden aan beide kanten hebben opengereten. “Voor veel Joden riepen de gebeurtenissen herinneringen op aan het collectieve trauma van de Holocaust. Voor veel Palestijnen bracht het geweld in Gaza het collectieve trauma van de Nakba zoals Palestijnen de massale ontheemding van 1948 noemen, weer naar boven. Beide samenlevingen dragen diepe trauma’s met zich mee.”  

Vanuit dat besef ontwikkelde het Rossing Center de methode Healing Hatred. De aanpak helpt deelnemers om niet alleen vanuit argumenten te spreken, maar ook aandacht te geven aan de emoties, waarden en morele vragen die hun standpunten beïnvloeden. “Mensen blijven vaak hangen in argumenten en analyses”, zegt John. “Maar echte beweging ontstaat wanneer je ook aandacht hebt voor de emotionele en spirituele laag van een conflict.” 

Elkaar beter leren begrijpen 

Juist daarin ligt ook de betekenis van deze methode voor de Protestantse Kerk. Binnen kerkelijke gemeenten leven verschillende overtuigingen over Israël en Palestina. “We hebben gemerkt dat het gesprek vaak niet mogelijk is”, zegt Wilma Wolswinkel. “Healing Hatred biedt een manier om dat gesprek wel te voeren, voorbij emoties en tegenstellingen, door naar elkaars dilemma’s te luisteren.  

Tijdens de trainingen zagen John en Gal hoe deelnemers met uiteenlopende opvattingen samenkwamen. “Mensen deelden hun zorgen, hun waarden en hun persoonlijke dilemma’s rond dit conflict. Daardoor ontstond ruimte voor een gezamenlijk gesprek binnen de gemeenschap”, vertelt Gal. De training is niet bedoeld om mensen van mening te laten veranderen. Het doel is eerder om elkaar beter te begrijpen en samen te onderzoeken welke verantwoordelijkheid ieder van ons heeft. 

Een taak voor de kerk 

Volgens Gal heeft de kerk daarbij een belangrijke taak. “Het vraagt moed om een ander gesprek te voeren. Maar we moeten blijven luisteren en blijven geloven dat een rechtvaardigere en vreedzamere toekomst mogelijk is.”  

John heeft tot slot een boodschap voor Nederlandse christenen. “Kijk eerlijk in de spiegel en vraag jezelf af of je zowel Palestijnen als Israëli’s werkelijk als volledig mens ziet. Als dat zo is, dan moeten we ons inzetten voor de vrijheid, veiligheid, rechtvaardigheid en vrede van iedereen.” Misschien is dat wel de belangrijkste les van Healing Hatred: niet praten óver elkaar, maar mét elkaar. Juist wanneer verschillen groot zijn, begint echte ontmoeting met de bereidheid om te luisteren en vandaaruit in je eigen persoonlijke context verantwoordelijkheid te nemen."

>> Kerk in Actie steunt het werk van het Rossing Center for Education and Dialogue. Lees er meer over

 lees verder
 
Tussenrapportage Kerkbreed gesprek en online consultatie open

Gemeenten vragen om eenvoud, transparantie, uitlegbaarheid en bovenal erkenning van de lokale problematiek. Dat zijn de eerste contouren van de uitkomsten van het kerkbreed gesprek dat de afgelopen maanden werd gevoerd. Deze contouren zijn als ‘tussenrapportage’ gedeeld met de leden van de kleine synode, als opdrachtgever. Deze rapportage is beschikbaar voor deelnemers van het kerkbreed gesprek en geïnteresseerden. Via een online consultatie kun je laten weten of de geschetste contouren herkenbaar zijn.

In het tweede kwartaal van dit jaar is breed overlegd en geluisterd naar de zorgen, ideeën en ervaringen van verschillende gemeenten. Dat gebeurde tijdens vier regiobijeenkomsten, elf luistersessies en gesprekken met organisaties zoals de Federatie van Diaconieën (FvD), de Vereniging Kerkrentmeesterlijk Beheer (VKB) en experts op dit terrein. De tussenrapportage geeft een kort procesverslag van dit kerkbreed gesprek en schetst de eerste contouren van wat in de gesprekken naar voren kwam. Verdere analyse, weging, terugkoppeling en toetsing zullen volgen. Daarvoor staan meerdere gesprekken en een online consultatie gepland. 

De contouren: erkenning en scherpe keuzes  

Gemeenten vragen om eenvoud, transparantie, uitlegbaarheid en bovenal erkenning van de lokale problematiek. Gemeenten zijn vóór vormen van bovenplaatselijke organisatie en quotum of solidariteit, maar willen begrijpen waarvoor geld nodig is, welke keuzes worden gemaakt en wat ze daarvoor terugzien. Daarnaast vragen gemeenten om scherpere keuzes in de uitgaven. Er is draagvlak voor een regionale en landelijke organisatie van de kerk. De invulling hiervan vraagt om heldere prioriteiten, waarbij praktische nabijheid en bereikbaarheid voor gemeenten en doelmatigheid van uitgaven van belang zijn. 

Solidariteit in algemene zin wordt breed erkend, maar vraagt om nieuwe taal en een scherpere omschrijving en inrichting. Het gaat hierbij niet alleen over geld, maar ook over het delen van bijvoorbeeld menskracht, bestuurskracht, kennis en ervaring. Gemeenten verlangen sterk naar eenvoud en meer mogelijkheden voor inspraak als het gaat om nieuwe regelingen, in afstemming met gemeenten, classes en strategische partners. Ze moeten financieel houdbaar zijn, maar ook te begrijpen en uit te leggen in kerkelijk en maatschappelijk verband. 

De vervolgstappen 

Deze tussenrapportage luidt een nieuwe fase in, waarin we dat wat we gehoord hebben uit gaan werken naar tot beleid en nieuwe regelingen. Bij elke stap zullen we onze gesprekspartners betrekken om de ontwikkelingen te toetsen. Het doel is dat de nieuwe regelingen vanaf 1 januari 2028 ingaan. Hieronder vind je de vervolgstappen in een tijdlijn:  

Vul de online consultatie in  

Hier vind je de online consultatie met daarin de 44 punten die genoemd zijn tijdens de gesprekken. We nodigen je uit om deze consultatie in te vullen. Zo laat je ons weten of we je tijdens de gesprekken goed gehoord hebben en waar volgens jou de focus op moet liggen in de uitwerking. Was je niet bij de gesprekken? Ook dan vragen we je deze consultatie in te vullen: hoe meer mensen deze invullen, hoe betrouwbaarder het beeld. Daarmee winnen nieuwe regelingen aan draagvlak. Het invullen duurt ongeveer 20 minuten en kan tot en met 30 september. 

Het kerkbreed gesprek over solidariteit en geldVerder lezenEen kerkbreed gesprek over solidariteit en verantwoordelijkheid heeft als doel vertrouwen te herstellen en te komen tot een duurzame financiële huishouding van de Protestantse Kerk. 

Vul de consultatie in

 lees verder
 
A Better Message 

Ik ontmoette hem vorige week rond de jubileumviering van de GZB: Rev. Lovemore Mashamba, general secretary van de Reformed Church of Zimbabwe (RCZ). We hadden het over predikanten, evangelisten en lekenpredikers. In de wereldkerk wordt op allerlei manieren gezocht naar hoe je kwaliteit, opleiding en diversiteit in gaven goed organiseert. Contexten veranderen en daar moet je als kerk op inspelen.  

Wat ik van ds. Mashamba leerde, is dat het gaat om een geestelijke inzet in die vragen. Ook in zijn kerk in Zimbabwe komen er steeds meer kleine gemeenschappen. Ook daar is een tekort aan predikanten, en ook daar is discussie over onderlinge verhoudingen. Maar zijn inzet boeide me. “Het doel”, zei hij, “is dat op alle plekken in onze kerk woorden van God gedeeld worden. De mensen in onze kerk horen de hele week zo veel rommel: in de media, in dorpsroddel, in hun eigen denken. Ik wil zo graag dat ze daar middenin a better message horen: andere woorden, betere woorden. Ik kan het niet verdragen als Gods Woord niet meer klinkt en dus die andere woorden winnen.” 

Prachtige zin: “I just want them to hear a better message.”  

Ik hoorde energie in die inzet en ook een bepaald zelfbewustzijn. De woorden die ons als kerk zijn toevertrouwd zijn woorden die ertoe doen, die troosten, tegenspreken, veranderen, vernieuwen. Daarnaast en daartegenin klinken andere woorden in onze cultuur die doorwerken in mensen en hen vormen. In de mentale, mythische flipperkast die onze cultuur is, heeft de kerk iets eigens te vertellen. Misschien mogen we dat met enige fierheid hooghouden? Misschien hebben we mensen nodig die zich ertegen verzetten dat dát Woord niet meer klinkt? Juist stemmen uit de wereldkerk attenderen me op de geestelijke allure van de woorden van God. Die hebben een remmende werking op het kwade, verheffen het leven tot goedheid, en hebben ieder mens, zonder aanziens des persoons, op het oog. 

Een tijdje mijmeren 

Misschien bemoedigt dat je, op weg naar de zomer. Ik weet niet hoe je terugblikt op het afgelopen jaar, maar ik spreek allerlei collega’s die toe zijn aan een tijdje lummelen en mijmeren. De dienst die we op ons hebben genomen heeft ons hart, maar verslijt ons ook en, laten we eerlijk zijn, roept soms ook vragen op. Qua veelheid, qua vormgeving. Is dit de manier waarop we het moeten doen? Is dit wat nu nodig is? Met vrienden, die tevens collega’s zijn, heb ik het er vaak over. Voorganger zijn is incasseren, soms de ondermaatsheid van ons allen verdragen, en vaak ook naar iets anders snakken. Maar wat precies? 

Ik hoorde iets vergelijkbaars in een samenkomst van de Gemeinschaft Evangelischer Kirchen in Europa. Een belangrijk aandachtsgebied voor hen, zo begreep ik, is de theologische en praktische vernieuwing van het ambt. (In het Engels – sorry voor al die kekke termen – the renewal of ministry.) Trouwens: het is echt behulpzaam om door te krijgen dat kerken in de landen om ons heen met dezelfde kwesties bezig zijn als wij. Het oude gaat voorbij, het nieuwe is nog ongewis. Het is geen 1980 meer en ook geen 2010. Het is 2026. Onze cultuur verandert maar door, de kerk heeft een andere positie gekregen. De heimweereflex biedt geen soelaas. We hebben de gezamenlijke energie nodig om in die nieuwe context te stappen. Maar we zitten tegelijkertijd nog in-between. Soms denk ik dat we als voorgangers daarom vaak pendelen tussen een burn-out en een bore-out. Aan de ene kant is er de belasting met taken die passen bij de na-oorlogse verzorgingskerk die toen is opgebouwd. Qua vergaderen, organiseren, pastoraat, catechese, representatie. Daarnaast is er de wil om eigenlijk op een andere manier voorganger te zijn, met andere aandachtsgebieden en een andere attitude: vrijer, geestelijker, geconcentreerder, met ruimte voor andere initiatieven. En als je daar niet aan toekomt, dreigt de bore-out. Je doet niet wat je denkt dat je zou moeten of willen doen. 

De onderlinge verbinding voelbaar 

Deze zomerbrief schrijf ik hardop reflecterend. Het is mijn laatste in dit eerste jaar. Ik hoop dat je in onze brieven voelt hoezeer we de lokale gemeenschap en de voorgangers die daar leven, studeren en dienen, hoogachten. Ik schrijf deze brieven in de hoop dat de onderlinge verbinding voelbaar wordt. Ik hoor namelijk veel collega’s spreken over een bepaald soort eenzaamheid in het ambt en ik herken die ook.  

Als ik daar nog één ding over mag schrijven, dan iets over de mysterieuze ‘moed tot zichzelf’. Ik hoorde die zin van Kees van der Zwaard, theatermaker, schrijver en pastor van de Janskerk in Utrecht. Toen ik studeerde was hij beginnend dorpsdominee. Ik herinner me flarden van hoe hij dat invulde. Mooi is dat: dat je soms iets ziet in een ander waardoor je zelf ook dominee wilt worden of opnieuw wilt zijn. Dat doet er dus toe: kundige en creatieve uitoefening van je ambt. Dat wordt gezien. 

Nu ja, ik zat een paar uur met hem te praten, en we kwamen op thema’s als kerk, preken, theater en ‘een kracht die los kan komen’. Kees sprak over ‘op het spel staan’. Als je in een bijbelpassage kruipt, zei hij, kan het gebeuren (door exegese, detailstudie en verbeeldingskracht) dat de geest van dat stuk ‘over je komt’. Preken is dát laten gebeuren zonder dat je precies weet hoe het afloopt. Het kan herkend worden, het kan emotie oproepen of weerstand, het kan mensen koud laten, het kan jezelf aangrijpen en pakken. We komen op het spel te staan. Het enige wat je hebt in deze mysterieuze, krachtige dynamiek, zei hij, is wat je bent.  

Wie ben je als kerk? 

Naast het professionele en het ambtelijke zit er in het predikantschap ook een bepaalde moed om jezelf te zijn. Dat is niet ikkerig. Het is eerder het besef dat woorden kracht kunnen bemiddelen wanneer ze gesproken worden door een mens die eerlijk is. Daar hebben we lang over zitten mijmeren. Kees noemde Etty Hillesum. Zij had ‘de moed tot zichzelf’. Ze durfde het aan om te blijven in wat zij dacht dat ze moest zijn en doen. Jan Oegema, die een mooi essay over haar schreef, noemt dat ‘de pedagogiek van de moed’. Juist zo, door mensen als zij, kan een mysterieuze kracht vrijkomen.  

Zouden dat woorden voor de kerk zijn? De pedagogiek van de moed: op een zuivere, zelfkritische manier leren om onszelf te zijn. Dit is wat we zijn, lieve tijdgenoten, dit zijn onze oerpraktijken en onze oerwoorden. Wij geloven dat daarin a better message zit. En in alle eerlijkheid en gebrekkigheid leggen we die aan je voor en nodigen we je uit om daaraan mee te doen. Het is mijn ervaring dat je juist in het contact met tijdgenoten als kerk op het spel staat: wie ben je als kerk, wat heb je te bieden, wat is de kwaliteit van ons gemeenschapsleven, welke inwijding is in onze gemeenschapsleven te ontvangen? Op 31 oktober zal als opvolger van de Protestantse Lezing een publieke scribatafel gaan over ‘inwijden’. 

Van harte een goede zomer toegewenst, in welke omstandigheden dan ook. Hopelijk met enig gelummel en gemijmer en hopelijk brengt dat je iets. 

Collegiale groet, mede namens preses Trijnie Bouw, 

Kees van Ekris, scriba

 lees verder
 
De keuze voor het ambtsgewaad is meer dan een kwestie van smaak 

In de 19e eeuw gingen predikanten op de kansels een (zwarte) toga dragen. Tot dan droegen de predikanten in de Nederlandse Hervormde Kerk een toen al ouderwets aandoende ‘mantel en bef’, die ze op straat ook droegen. Daaraan waren ze herkenbaar. Het is in die tijd een hele discussie geweest om de praktijk van het dragen van de toga over te nemen van de Waalse kerken, die ze als eerste droegen, gevolgd door de lutheranen en remonstranten. 

De toga kende haar parallel aan de (rijks)universiteiten en in de rechtszaal. Daarmee was en is de toga bij uitstek een ambtsgewaad voor publieke ambten. Hij was in die tijd dan ook niet zozeer uitdrukking van de geleerdheid van de predikant als wel van de ‘statelijkheid’ (de relatie tot de staat der Nederlanden). De (hervormde) kerk was immers een publieke kerk. De dracht van de toga ging gepaard met witte bef en baret.  

De zwarte toga werd, hoewel het bij de invoering enorme discussies opriep, gaandeweg het standaard, uniforme ambtsgewaad. De relatie met de Reformatie wordt vaak gelegd, omdat de toga doet denken aan het gewaad dat de reformatoren in hun tijd droegen. Ook werd de toga gezien als een redenaarmantel, waarmee de nadruk komt te liggen op de predikant als Dienaar van het Woord. Die associatie is er nog steeds. 

Liturgisch gewaad 

De in de 19e eeuw ontstane kleine gereformeerde kerken bleven vaak voor een net pak kiezen, om niet een te groot onderscheid te maken tussen predikant en gemeente; de ambtvisie was daar dat het (predikants)ambt uit de gemeente opkwam. De diversiteit in toga of ‘gewone’ nette kleding is altijd gebleven. Bij beide gaat de individuele identiteit van de voorganger schuil achter een (min of meer) uniforme stijl. 

De liturgische beweging in de 20e eeuw wilde in ambtskleding aansluiten bij de brede oecumene en oudkerkelijke praktijken. Feitelijk was de toga wel een ambtsgewaad, maar geen liturgisch gewaad in de strikte zin van het woord, zo werd gesteld. Doordat de nadruk verschoof van het Woord alleen naar Woord en sacramenten, en de rol van predikanten een meer rituele werd en niet meer alleen een ‘geleerde’, gingen in het brede midden van de kerk sommige predikanten een (witte) albe dragen. Eigenlijk het onderkleed dat de priesters onder hun kazuifel dragen. 

De albe is niet voorbehouden aan predikanten. Alle gedoopte christenen mogen hem dragen. Zo zijn er cantorijen die een albe (koorpij) dragen, en ook het doopkleed van de dopeling is er direct mee verwant. Over de albe heen wordt vaak een stola gedragen, in de brede oecumene het symbool van het gewijde of geordineerde ambt. Deze wordt eenmalig omgehangen bij de predikantsbevestiging. Bij elke volgende verbintenis, draagt de predikant hem al. Diakenen in de katholieke traditie (een lagere wijdingstrap) dragen hem overdwars, priesters en predikanten naar voren hangend, in de kleur van het liturgische jaar en eventueel met symbolen erop. In de Protestantse Kerk zijn zowel albe als toga praktijk. Daarnaast zijn predikanten ook altijd nette ‘gewone’ kleding blijven dragen, al dan niet met een subtiele verwijzing naar de kleur van het kerkelijk jaar. Onder invloed van de vrije kerken en evangelicalisering kan men ook kiezen voor een informele wijze van kleden. Dit gebeurt vaak omdat de voorganger zich niet wil onderscheiden van de (rest van de) gemeente of niet ‘vervreemdende’ kleding wil dragen die afstand schept. 

Soms wordt de (zwarte) toga met een stola gecombineerd in plaats van met de klassieke bef:  het gewaad vanuit de reformatie met een stola die de verbinding met de oecumene en de relatie met het liturgische jaar uitdrukt. 

Proponenten en kerkelijk werkers 

Wat dragen proponenten en kerkelijk werkers eigenlijk, wordt soms gevraagd? Proponenten zijn nog niet in het ambt van Dienaar des Woords bevestigd. Zij dragen daarom nog geen toga, en ook de stola wordt pas bij de ambtsbevestiging omgehangen. Het is niet onmogelijk om al een albe te gaan dragen, eenvoudigweg als ‘gebedskleed’ als voorganger in een viering. Een albe kan dan zonder de stola gedragen worden. 

In de nieuwe ambtsstructuur van de Protestantse Kerk zijn de predikant-pastorsVerder lezenPredikant-pastor: informatie­bijeenkomsten in oktober en februari straks, samen met de predikanten, Dienaar des Woords. Zij kunnen ook een toga of een albe met naar voren hangende stola dragen. Qua ambtskleding is er geen verschil tussen hen te zien, omdat zij beiden hetzelfde ambt vertegenwoordigen. 

Kerkelijk werkers dragen, als men in de pas van de brede oecumene wil blijven, geen naar voren hangende stola, die symbool is van het geordineerde ambt. Momenteel zijn zij immers ouderling of diaken. Een mogelijkheid is dat zij een ‘scapulier’ dragen, een stoffen driehoek rond de hals en in tegenstelling tot de stola van voren en van achteren gesloten. In de catholica wordt dat gedragen door pastoraal werkers. Het mooie is dat het de eigenheid van deze werkers in de kerk uitdrukt en wordt soms gezien als symbool van bescherming, vrede (vanwege de V-vorm) en zeker van verbondenheid met de kerk. Liturgisch ziet het er verzorgd uit, en het geeft kleur aan de liturgische rol van kerkelijk werkers. Dat geldt straks ook in de nieuwe ambtsstructuur voor mensen die een tijdelijk leerconsent krijgen. Dan sta je niet helemaal in je liturgische onderkleed. 

Uit de praktijk

 

Een gebedsmantel met scapulier 

“Als kerkelijk werker ben ik niet academisch geschoold en mag ik geen stola dragen. Daarom heb ik gekozen voor een scapulier. Die heb ik in vier kleuren laten maken, elk met een eigen symbool erop. Ik ben er blij mee, ik vind ze handzamer dan een stola. Ik draag deze over mijn gebedsmantel, die licht van kleur is. Die mantel is een bewuste keuze, dan hoef ik op zondag minder na te denken over wat ik aan moet trekken. Wel is het altijd van belang dat ik iets aantrek waar een zak in zit voor de batterij van de headset. Ik draag deze outfit altijd bij de zondagse erediensten. Bij bijvoorbeeld een vesper of een dienst in een verzorgingshuis draag ik gepaste, nette kleding. En bij begrafenisdiensten heb ik een andere vaste outfit. Dat heeft er onder meer mee te maken dat je ambtskleding officieel niet buiten de kerk mag dragen, en zo hoef ik me niet om te kleden voordat we naar de begraafplaats gaan.” Rixt de Boer, kerkelijk werker in de Goede Herderkerk Valkenburg (ZH) 

Bijpassende oorbellen, geïnspireerd door Taizé 

”Ik draag een witte gebedsmantel, de kleur van het licht. Daarop droeg ik eerst stola’s, maar ik voelde me daar niet prettig bij. Stola’s horen van oudsher bij de rol van priester, en ik heb meer affiniteit met de kerk als geloofsgemeenschap dan met de kerk als instituut. Nu draag ik een scapulier, iets wat van oudsher door monialen van kloosterorden gedragen wordt. Ik heb er zelf zeven gemaakt, een hele klus. Als het te warm is, draag ik de gebedsmantel niet, maar wel altijd het scapulier. Die benadrukt mijn rol, ik sta er niet als Monica maar als voorganger in de liturgie. In een kliederkerkachtige setting draag ik niet de gebedsmantel maar wel het scapulier, en daaronder kleding in de kleur van het kerkelijk jaar. Dat draag ik altijd onder mijn gebedsmantel omdat die van opzij open is. En ook leuk om te melden: ik draag er altijd bijpassende, betekenisvolle oorbellen bij. Ik werd geïnspireerd door het Taizékruis dat tegelijkertijd een vogel is. De broeders van Taizé hebben deze speciaal voor mij gemaakt in de kleuren van het kerkelijk jaar. Zo passen ze bij de kleur van het scapulier.” Monica Schwarz, predikant in de Protestantse Gemeente Almelo 

 lees verder
 
Ds. Peter van Bruggen: “De Geest werkt vaak buiten onze gebaande wegen” 

  • Theologie en kerkelijke opleiding in Amsterdam, zendingsopleiding aan het voormalige Hendrik Kraemer Instituut. 
  • Vanaf juli 2026 predikant van de Hervormde Gemeenten Vlagtwedde en Bourtange. Eerder in Westkapelle, Curaçao, Roeselare (België), IJmuiden-West, Lopikerkapel en Elim. Ook was hij drie jaar namens Kerk in Actie uitgezonden naar STT Sundermann op Nias in Indonesië. 
  • Voelt zich verwant met de confessionele stroming en de Gereformeerde Bond en beweegt zich graag tussen die tradities. 

Hoe ervaar je je roeping? 

"Mijn roeping heeft mij zelf verrast. Op de middelbare school voelde ik nog geen sterke drang om predikant te worden. Dat veranderde tijdens de belijdeniscatechese bij een inspirerende predikant. Toen dacht ik: dit wil ik ook. Mijn vooropleiding sloot daar niet op aan, dus ik moest flink aan de slag, onder meer met de klassieke talen. Dat kostte veel inzet, maar gaf me wel een stevige basis." 

Wat heb je nodig om met vrucht en vreugde te werken? 

"Ruimte. Als je mij in een keurslijf duwt, gaat het wringen. Dat geldt niet alleen voor mij, maar ook voor anderen. In gemeenten probeer ik mensen de ruimte te geven om zich te ontwikkelen en hun gaven te ontdekken. Dan zie je dat mensen opbloeien en zich meer betrokken voelen bij de gemeente en het evangelie. Strikte verwachtingen over hoe een predikant of gemeentelid moet zijn, helpen daar niet bij." 

Hoe zorg je ervoor dat je niet opbrandt? 

"Afwisseling geeft mij energie. Naast het gemeentewerk ben ik altijd graag bovenplaatselijk actief geweest. Ook tijdens mijn uitzending naar Indonesië heb ik veel gereisd en andere kerken bezocht. Nieuwe ontmoetingen inspireren me, terwijl het ook altijd goed is om weer thuis te komen. Met de jaren leer je bovendien beter je eigen grenzen kennen." 

Welk onderdeel van je werk doe je het liefst? 

"Het pastoraat. Ik zie mezelf als een pastorale predikant, niet alleen in huisbezoeken, maar ook in toerusting, catechese, kringwerk en de preek. Het geloofsgesprek met mensen, samen zoeken naar Gods weg in vreugde en verdriet, blijft voor mij de kern van het predikantschap." 

Welke (na)scholing heb je voor het laatst gevolgd? 

"Op pastoraal gebied zoek ik regelmatig inspiratie in het buitenland. Zo bezocht ik met Red een Kind en World Servants Rwanda, waar we stilstonden bij diaconaat en verzoening. Daar zie je hoe aandacht voor de nood van een ander ook helpt om je eigen pijn onder ogen te zien. Daarnaast volgde ik scholing in contextueel pastoraat in Zuid-Afrika, onder anderen bij Hanneke Meulink-Korf en Neeltje van Doorn. De ontmoeting met predikanten uit andere landen vind ik altijd verrijkend." 

Zie je in je werk in de kerk dat Gods Geest aan het werk is? 

"Zeker. Ik zou alleen willen dat meer mensen het ook zagen. Dat merk ik bijvoorbeeld als het over jongeren gaat. Er wordt vaak gezegd dat er nauwelijks jeugd betrokken is, terwijl ik juist heel andere ervaringen heb. In gesprekken met  jonge mensen hoor ik hoe open zij over hun geloof spreken en hoe serieus zij daarmee bezig zijn. Dat zie ik als het werk van Gods Geest. 

Als je de Geest alleen herkent binnen je eigen verwachtingen, kun je gemakkelijk missen wat God doet. De Geest werkt vaak anders dan wij denken en buiten onze vertrouwde patronen. Jongeren zijn misschien niet altijd zichtbaar op zondag, maar dat betekent niet dat ze niet geloven of betrokken zijn." 

Welk boek, welke serie, film of podcast raad je je collega’s aan? 

"Ik kijk graag naar de televisieserie Ik Vertrek. Daar zie je mensen die verlangen naar verandering en een avontuur aangaan. Ze worstelen met vragen als: wat wil ik, wat kan ik en wat komt er op mij af? Dat herken ik. Bij grote keuzes speelt ook de vraag mee: is dit alleen mijn eigen verlangen, of wijst God mij een weg? Dat spanningsveld vind ik boeiend."* 

Is er een bijbeltekst die met je meegaat? 

"Psalm 145:16: 'U opent uw hand.' Dat beeld spreekt me erg aan. Ik zie God als degene die zijn hand opent om te geven en mensen tegemoetkomt. Niet een God met een gebalde vuist, maar een God die gul is en mensen het leven gunt. Dat beeld draag ik met me mee." 

Wat hoop je voor de toekomst van de kerk? 

"Ik hoop dat de kerk ruimte blijft bieden en zich niet opsluit in zichzelf. Door mijn werk in het buitenland heb ik de wereldkerk leren kennen. De Protestantse Kerk is maar een klein onderdeel van Gods wereldwijde kerk. Dat besef heeft mijn blik verruimd. In Nederland zijn we soms erg met onszelf bezig. Dat is begrijpelijk, maar we mogen de bredere gemeenschap van gelovigen niet uit het oog verliezen. Ik hoop dat de kerk een plek blijft waar mensen ruimte krijgen om hun gaven te ontdekken, te groeien en bij te dragen aan Gods wereldwijde kerk." 

 

 lees verder
 
Waar komt het priesterboordje vandaan?

Een wit boordje onder de kraag wordt vaak gedragen door rooms-katholieke, oud-katholieke en anglicaanse priesters en bisschoppen. Sommige predikanten dragen het ook. De collaar, zoals het boordje oorspronkelijk genoemd wordt, werd in 1989 door de Nederlandse bisschoppenconferentie opnieuw verplicht gesteld voor geestelijken. Vanouds droeg een pastoor zwarte kleding, een bisschop een paars overhemd. Zeker na het Tweede Vaticaans Concilie in de jaren 60 van de vorige eeuw is het gebruikelijker geworden dat zij niet meer een soutane (een lang zwart gewaad) dragen, maar 'normale' burgerkleding. Het boordje werd daarmee nog het enige zichtbare teken van priesterschap – of breder gesteld: geestelijkheid. Ook rooms-katholieke diakenen kunnen het dragen.

In het Engels wordt het boordje een roman collar genoemd, wat lijkt te veronderstellen dat het een rooms-katholiek gebruik is. Verrassend genoeg lijkt het juist een protestantse oorsprong te hebben.

Oorsprong

In de eerste helft van de 19e eeuw kwamen predikanten in Engeland en Schotland veelal uit de gegoede sociale klasse. Rond 1840 ontstond de tendens om daar in de kleding uitdrukking aan te geven. In Nederland waren lange tijd de kuitbroek en de steek op het hoofd gebruikelijk, maar dat werd vanaf een bepaald moment als ouderwets ervaren. In Engeland en Schotland werd een zwarte jas met witte stropdas de herkenbare deftige kledij van predikanten. In 1865 ontwierp Donald MacLeod, presbyteriaans predikant in de Church of Scotland, het witte boordje. Dit overblijfsel van de witte stropdas was makkelijk afneembaar en dus praktisch in gebruik.

Breder draagvlak

Al snel vond dit gebruik breder draagvlak bij de anglicanen, methodisten, baptisten en later ook de rooms-katholieken en lutheranen. Dat het breder gebruikt werd dan alleen in de kerk blijkt uit het gebruik ervan door joodse rabbijnen. In de Verenigde Staten werd het witte boordje vanaf 1884 verplicht voor alle rooms-katholieke priesters. Dat protestantse predikanten in Nederland het ook zijn gaan dragen, sluit dus aan bij een breed gegroeide kerkelijke traditie. Tijdens de predikantendag in 2014 ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van de Protestantse Kerk, werd het dragen ervan gepropageerd. Predikanten die zich verwant voelden met de Liturgische Beweging of Liturgische Kring droegen het al langer. Overigens is het dragen ervan niet voorbehouden aan (geordineerde) predikanten. In de rooms- en oud-katholieke traditie kunnen ook diakenen het dragen, dus de geestelijkheid in bredere zin. In die lijn doorgedacht misstaat het kerkelijk werkers ook niet.

Symbolische betekenis

Het boordje als zodanig heeft symbolische betekenis: een eenvoudig teken van herkenbaarheid van een geestelijke. Die drukt met het dragen ervan enerzijds kerkelijke presentie uit: een getuigenis van gelovig en kerkelijk engagement in het publieke domein. Daarnaast drukt het toegankelijkheid of aanspreekbaarheid uit, juist ook 'op straat', buiten de kerk, en is daarmee uitnodigend. De een vindt dat passend om op deze manier als kerkelijk professional missionair present te zijn in een postchristelijke samenleving. Een ander zal zeggen dat de samenleving zo geseculariseerd is dat het teken amper nog herkend wordt. Maar zelfs dan zal het mogelijk mooie gesprekken opleveren.

Herkenbaarheid

Sommige voorgangers gebruiken het als liturgische kleding in de zondagse eredienst. Dat zijn de voorgangers die geen albe (liturgisch gewaad) of toga dragen, maar bij hun 'gewone' kleding wel een teken van geestelijkheid willen uitdrukken. Dat is een opvallende ontwikkeling, omdat het oorspronkelijk bedoeld was voor de herkenbaarheid in het publieke domein en niet binnen de kerkelijke liturgie. In de katholieke kerken worden immers over de dagelijkse kleding heen albe en kazuifel (mouwloos opperkleed) gedragen en raakt het boordje 'onzichtbaar' in de liturgie.

Verschillende vormen

Het boordje kent verschillende vormen. Het bekendst is het kleine stukje wit dat aan weerszijden door de kraag omvat wordt. Ook zijn er vormen die de hele hals omvatten met de kraag van de gewone kleding eromheen – dat verklaart ook de meer oneerbiedige naam van dog collar voor het boordje.

Eigenlijk doet de vorm er niet toe. Het gaat om een klein overblijfsel van de stropdas die ook de hele hals omvat en naar voren afhangt. Niet meer als teken van deftigheid die de Engelse en Schotse predikanten in de 19e eeuw wilden benadrukken, maar van de geestelijke dimensie van iemands kerkelijke beroep.

Met dank aan de Vereniging voor Liturgiestudies.

 lees verder
 
Krijgsmachtpredikant Verboom: "Ik ben gericht op echte ontmoeting"

  • studie Theologie aan de Universiteit van Utrecht 
  • kerkelijk werker in Hazerswoude-Dorp, vervolgens namens de GZB uitgezonden naar Colombia en Mexico, daarna achtereenvolgens gemeentepredikant in Nieuwendijk (NB) en Gouda, en sinds 2020 krijgsmachtpredikant bij de dienst geestelijke verzorging binnen Defensie 
  • achtergrond in de Gereformeerde Bond, met openheid voor de evangelische en charismatische beweging 

Hoe ervaar je je roeping? 

“Ik heb gemerkt dat bij mij roeping ontstaat in relatie met mensen. Een uitspraak van de Franse filosoof Gabriel Marcel is voor mij een motto geworden: ‘Een echte ontmoeting is een gezamenlijke ontdekkingsreis de diepte in.’ Ik ben gericht op echte ontmoeting en zoek altijd naar de dieptedimensie. In de houding om telkens dat avontuur aan te gaan, ervaar ik mijn roeping. Dat beweegt zich op het snijpunt van wie ik ben en wat ik doe. Ik voel me geroepen om een ambassadeur te zijn van Gods genade en vrede. Dat hangt nauw samen met wat ik doe: mensen een luisterend oor bieden zonder met oplossingen te komen.” 

Wat heb je nodig om met vrucht en vreugde te werken? 

“Ik haal veel voldoening uit momenten van echte verbinding. Tijdens mijn studie heeft mijn leermeester Theo Zweerman me op het spoor gebracht van het denken van Emmanuel Levinas. Levinas zocht naar momenten dat de werkelijkheid openbreekt. Daar heb ik een bepaalde gevoeligheid voor ontwikkeld. Bijvoorbeeld wanneer zich een bepaald inzicht ontvouwt als ik bezig ben met een bijbeltekst en denk: hier gaat het om. Of wanneer ik in een gesprek op een punt kom waarvan ik weet: hier moeten we bij stilstaan. Ik ben verbinding steeds meer gaan waarderen als de kern van mijn werk.” 

Hoe zorg je ervoor dat je niet opbrandt? 

“Wanneer ik merk dat ik niet meer goed kan ontvangen, weet ik dat ik beter voor mezelf moet zorgen. Bijvoorbeeld wanneer een gesprek me niet echt raakt, of wanneer een boek niet binnenkomt. Binnen deze functie heb ik dat beter leren herkennen dan toen ik gemeentepredikant was. Zelfzorg is gegeven met het militaire bestaan. Dat is voor mij: lezen, hardlopen, koffiedrinken met mijn vrouw op zaterdagochtend. Tot nu toe is dat voldoende gebleken. Ik heb het randje weleens gevoeld, maar ben er gelukkig nog nooit overheen gegaan.”  

Welk onderdeel van je werk doe je het liefst? 

“Ik presenteer me graag als iemand bij wie je altijd terechtkunt. Om samen stil te staan bij de vraag: wat betekent het voor jou dat je dit meemaakt? We zijn als geestelijk verzorgers geen hulpverleners, we zoeken naar bestaansverheldering. Dat werkt helend.” 

Welke scholing heb je het laatst gevolgd? 

“Sinds anderhalf jaar ben ik binnen de PThU voor de helft van mijn tijd bezig met een promotieonderzoek naar onze ethische rol als geestelijk verzorgers. Daarin reflecteer ik op die rol binnen Defensie, op de ethische dimensies van het militaire bestaan, zoals geweldsvraagstukken en groepsprocessen die tot morele ontsporingen kunnen leiden. Doel is om te signaleren en te adviseren. Het was een lang gekoesterde wens om zo’n traject aan te gaan, en er kwam een plek beschikbaar binnen de protestantse geestelijke verzorging. Ik hoop dat het geestelijk verzorgers helpt hun ethische rol invulling te geven.” 

Zie je in je werk dat Gods Geest aan het werk is? 

“Momenten van verbinding, waarop de diepte zich opent, ervaar ik sterk als het werk van de heilige Geest. In Filippenzen 1 staat dat de gemeente mag groeien in inzicht en fijngevoeligheid om te kunnen onderscheiden waar het op aankomt. Op de momenten waarop inzicht zich ontvouwt, zie ik Gods Geest aan het werk – in een worsteling met een tekst of in een gesprek met iemand.” 

Welk boek, welke film of welke podcast raad je collega’s aan? 

“Het boek Om de eer van de mens van mijn leermeester Theo Zweerman heeft indruk op mij gemaakt. In het verlengde daarvan ben ik Het menselijk gelaat van Levinas gaan lezen. Zijn essay ‘Eer zonder vlagvertoon’ is een van de meest indrukwekkende dingen die ik gelezen heb. Eindelijk thuis van Henri Nouwen heeft me geholpen om anders te kijken naar pastorale relaties en naar mezelf. Het boek Leven en lot van Vasili Grossman heeft me geholpen om de Russische ziel,en geschiedenis beter te begrijpen. Een onderdeel van mijn werk is het volgen van geopolitieke ontwikkelingen en alert te zijn op het dehumaniseren van de tegenstander. We moeten ervoor waken alle Russen over één kam scheren, ook Russische jongens sneuvelen massaal in de loopgraven. Dat betekent niet dat we niet militair moeten handelen. Maar, zoals Levinas zegt: we mogen het nooit met een gerust geweten doen."  

Is er een bijbeltekst die met je meegaat? 

“Filippenzen 1:6 spreekt me erg aan. ‘Ik ben ervan overtuigd dat Hij die dit goede werk bij u begonnen is, het ook zal voortzetten tot het voltooid is op de dag van Christus Jezus.’ Deze tekst kregen we mee bij ons vertrek uit Mexico van een bevriend Mexicaans predikant.” 

Wat hoop je voor de toekomst van de kerk? 

“Het klinkt misschien wat cliché, maar ik hoop dat we geloof, hoop en liefde belichamen in deze wereld. Dat we met woorden en daden laten zien dat niets zo goed is als leven in het licht van God, dicht bij Hem. Ik zie de kerk als een oefenplaats waar we ons trainen om daarop gericht te staan in het leven van elke dag. Daar geven we onze roeping handen en voeten, in navolging van Christus.” 

 lees verder
 
Herdenkingsdienst slavernijverleden: lessen trekken uit het verleden

In de monumentale Sint-Janskathedraal in ’s-Hertogenbosch proef je het verleden en tegelijk sta je er midden in het heden. Een uitgelezen plek om de herdenkingsdienst slavernijverleden te houden. De Raad van Kerken en de Stichting Heilzame Verwerking Slavernijverleden organiseerden deze dienst samen met kerken in Den Bosch, een stad die zelf ook werk maakt van het onderzoek naar de eigen betrokkenheid bij de slavernij. Thema was ‘Elkaar Ontmoeten als Eenheid in Verscheidenheid’. Indrukwekkend was het verhaal van Muriël Wol-Fernand, nakomeling van tot slaaf gemaakten, en Nick van Lanschot, nakomeling van wie profiteerden van de slavenhandel. Zij hadden elkaar enkele malen ontmoet en vertelden daar samen over in de dienst. Ze vertegenwoordigden daarmee de uiteenlopende stemmen van een gedeeld verleden en gaven zo stem aan het verlangen en de oproep om te werken aan een gedeeld heden.  

Herdenken betekent eren, erkennen en leren

Voor mij klonk in de hele dienst de blijvende opdracht en meerwaarde van herdenken. Het gaat wat mij betreft om eren, erkennen en leren. We eren de mensen die geleden en gestreden hebben, we erkennen onrecht en leed dat hun is aangedaan, en we leren voor nu. We trekken lessen uit dat verleden om blijvend samen te werken aan onze roeping als zusters en broeders, allen kinderen van dezelfde God, de Schepper van heel deze aarde. Een Bijbelse boodschap. We lazen daarom Genesis 1 over God die de mens (álle mensen dus) schiep naar zijn evenbeeld. We hoorden Galaten 3 over allen één zijn in Christus Jezus. We zagen het met Openbaring voor ons: een nieuw bestaan, een levensboom, met bladeren met genezende kracht voor alle volkeren.  

Waarom blijven herdenken nodig is  

Blijvend herdenken om te eren, te erkennen en te leren. En daar moet je nooit te snel mee stoppen. In mijn jeugd nog hoorde ik regelmatig vormen van theologische rechtvaardiging voor de achterstelling en onderdrukking van zwarte mensen, en relativering van het aangedane kwaad. En vraag maar aan zwarte leden in onze overwegend witte gemeenten hoe zij ervaren hoe de geschiedenis van racisme en kolonialisme nog altijd doorwerkt. Daarom is het goed en nodig dat er onderzoek gedaan blijft worden om de verhalen te horen en de patronen te herkennen die ons beïnvloeden, tot op de dag van vandaag. 

Mijn mooiste lied: ‘We shall overcome’

Verzoening met het verleden  

Graag citeer ik daarom hier diaken Bianca Groen Gallant, tot voor kort medelid van ons moderamen en zaterdag ook aanwezig. Zij zegt in een interview: 'Verzoening is voor mij niet verzoenen tussen 'zwart' en 'wit'. Het gaat om verzoening met dit verleden, met dit thema. Als je je ermee verzoend hebt, kun je zeggen: het is ook van mij. Als we daar samen kunnen komen, geeft de kerk daarin een voorbeeld. Dat is altijd mijn droom geweest.”

Een dienst die hoop en inspiratie gaf 

De dienst in de Sint-Jan gaf inspiratie voor die droom. Er klonk pijn, er klonk hoop, het was even waardig als vrolijk, even onderscheidend als verbindend. En er was veel ruimte voor gebed; hieronder volgen er een paar. Wellicht inspireren ze om in eigen setting rond 1 juli aandacht aan Keti Koti te besteden, of op een ander moment stil te staan bij het slavernijverleden en de rol van kerk en geloof daarin.  

Gebed bij Keti Koti: Heer, verhoor ons

Gebed om verzoening (God van alle mensen)

 lees verder
 
Eerste publieke tafel van de scriba: “Goede theologie moeten we toegankelijk maken”

“Anders dan in de Verenigde Staten, erkennen we in Nederland dat er iets voorbij is. In Amerika zie je heimwee en angst. Die angst zouden wij volgens theoloog Edwin van Driel al overwonnen hebben”, aldus Van Ekris, “daardoor komt nieuwe creativiteit vrij.” De scriba vond het tafelgesprek dan ook interessant, aan-het-denken-zettend. “De rol van de kerk moet je niet devalueren”, zei Van Driel, “ze is juist een expressie van het heil. Christus brengt mensen samen; Hij verzamelt mensen die zeer verschillend zijn, rondom Hem, en vormt hen tot een gemeenschap. We zijn geneigd nogal pragmatisch over de kerk te denken, of ‘makerig’, alsof wij de kerk moeten redden of maken. Maar kijk eens met meer verwondering: Christus brengt ons samen en Hij trekt ook allerlei mensen in onze cultuur erbij.”

Kees van Ekris ging op woensdag 24 juni in gesprek met onder meer theoloog Edwin van Driel (hoogleraar theologie in Pittsburgh (VS)) en collega’s uit de kerk. “We konden samen als theologen, medewerkers van de dienstenorganisatie en collega’s, een uur lang met elkaar theologiseren. Hierdoor ontstond even een gezamenlijke reflectie over een vraag waar we allemaal mee bezig zijn: wat betekent het om kerk te zijn in een post-seculiere samenleving?”

Meer tafels

Deze ontmoeting is de eerste in de reeks ‘tafels van de scriba’: inspiratiemomenten waarin de scriba met experts in gesprek gaat over thema’s die ertoe doen voor kerk en geloof. Deze eerste publieke tafel was een experiment, bedoeld om theologisch interessante ontmoetingen en gesprekken zo toegankelijk mogelijk te maken voor collega’s in de kerk. Volgens Van Ekris laten goede theologen dingen zien die we zelf niet zien: “Juist daarom is het zo belangrijk om ze in huis te halen. Goede theologie moeten we breed toegankelijk maken. We moeten een plek van theologische inspiratie bieden voor mensen die met dezelfde dingen bezig zijn, zodat we samen leren denken en debatteren.”

Verschillende doelen

De tafels van de scriba hebben verschillende doelen, aldus Van Ekris: “visievorming en beleid, theologische verdieping en de oefening in het gesprek en het debat.” Volgens de scriba is dat ook hard nodig: “Het is belangrijk dat er in de kerk plekken zijn waar op een waardige, inhoudelijke en, je zou bijna zeggen, conciliaire manier het theologisch gesprek wordt gevoerd over onze kerk en haar gestalte in onze tijd.”

Vervolg

De bedoeling is dat er nog veel verschillende soorten tafels zullen volgen. Soms zullen er grotere tafels zijn, breed aangekondigd en uitgezet. Andere keren zullen er besloten tafels zijn, wanneer spanningen hoog zijn en onderwerpen complex, maar wanneer er toch met elkaar gesproken moet worden. Daarnaast zullen er, net als afgelopen woensdag, ‘in-between’-tafels zijn: min of meer “toevallige” tafels met de scriba waar anderen bij aan kunnen sluiten.

 lees verder
 
Kelly en Salvatore: “We willen snel en goed antwoorden zodat mensen verder kunnen” 

Kelly de Hoop (1987) is sinds acht jaar medewerker Gemeentecontacten. Ze studeerde Godsdienst Pastoraal Werk aan de Christelijke Hogeschool Ede en werkte in de kerk onder andere als jeugdwerker. Kerkelijk is ze actief in de wijkgemeente Bethel van de Protestantse Gemeente Zeist. Salvatore Pirruccio (1967) werkt een kleine twee jaar in het team, na een loopbaan als ontwikkelaar van computerchips. In zijn woonplaats Woudenberg is hij lid en scriba van een van de twee hervormde wijkgemeenten. 

Hoe vinden gemeenten jullie? 

Pirruccio: “Vragen komen vooral binnen per mail of telefoon. Het aantal vragen verschilt per dag en per seizoen. Vragen zijn seizoensgebonden: momenteel komen er vragen binnen over de uitwerking van het jaarthema ‘Beweeg mee!” De Hoop: “Mensen bellen op het moment dat zij tijd hebben. Predikanten vaak op maandagochtend, een scriba op donderdagochtend na de kerkenraadsvergadering. In het weekend hebben mensen tijd om te mailen, op maandagochtend zit onze mailbox vol.” 

Welke vragen komen binnen?  

Pirruccio: “Dat kan echt van alles zijn. Vanochtend nog: een emeritus predikant die pastorale diensten verleent aan een gemeente is ziek en verwacht niet terug te komen. Zijn vraag was of hij zich moest laten keuren door een bedrijfsarts en wat de financiële gevolgen zijn. Best een complexe vraag: voor een emeritus predikant gelden andere regels dan voor een predikant onder de pensioengerechtigde leeftijd. Op de website van de kerk staat de informatie vaak zo uitgebreid dat gemeenten daar niet altijd uitkomen. Ik zocht het voor hem uit en kon vertellen hoe het werkt.” 

De Hoop: “Vragen kunnen echt overal over gaan: beroepingswerk, arbeidsvoorwaarden, kerkorde en kerkelijk recht, conflictsituaties, liturgie, Sirkelslag, hulp aan asielzoekers, aan mensen in nood, pastorale vragen... Door de jaren heen deden we zo veel ervaring op dat we mensen meestal een eind op weg kunnen helpen. Komen we er niet uit, dan vragen we een specialist om hulp.” Pirruccio: “Wij vormen de eerste lijn en beantwoorden zo veel mogelijk vragen die anders de rest van de organisatie in zouden gaan. Dat is onze kracht, we helpen de gemeenten verder.” 

Jullie overbruggen de afstand tussen de plaatselijke gemeente en ‘Utrecht’? 

De Hoop: “Dat hoop ik wel. Wij krijgen veel voor elkaar. Met goede antwoorden en adviezen wekken we vertrouwen bij gemeenten. Dat is wat wij willen: een snel en goed antwoord waar mensen mee verder kunnen. Als iets niet kan, leggen we uit waarom niet en komen we met alternatieven. Wij zijn een team met verschillende achtergronden en ervaring in de kerk, we vullen elkaar aan. Dat komt de dienstverlening ten goede.” 

Hoe beïnvloedt de inhoud van de vragen jullie werk? 

Pirruccio: “Als er over een actueel onderwerp veel vragen binnenkomen, dan zoeken we contact met collega’s om een goed antwoord te kunnen geven. Bij tekorten in onze kennis laten we ons informeren door collega’s. Zo konden wij vele gemeenteleden die belden over de invoering van een Verklaring Omtrent Gedrag uitleggen hoe het werkt en waarom het nodig is.” 

De Hoop: “Wij volgen de ontwikkelingen in de synode, zoals rond de ambtsvisie, over de positie van predikant en pastor. Wij zijn ook de voelsprieten van de kerk. Als we merken dat er veel onduidelijkheid bestaat over een onderwerp, geven we dat door aan team Communicatie, dat open staat voor onze suggesties.” 

Wat maakt jullie werk bijzonder? 

De Hoop: “Contactcentrum klinkt misschien zakelijk, maar ons gaat het om de christelijke gemeente en haar taak in de wereld. Het mooie van ons werk is dat wij heel veel toegewijde vrijwilligers spreken, waarvan sommige hard bezig zijn met overleven. Dat leidt tot mooie, verdiepende gesprekken.” 

Pirruccio: “Ik ervaar elke dag dat mensen die ons bellen onze zusters en broeders zijn.” 

Neem contact op met het Contactcentrum via info@protestantsekerk.nl of (030) 880 14 00 (ma. t/m do. van 9.00 tot 17.00 uur, vrij. van 9.00 tot 15.00 uur). 

 

 lees verder
 
Kerk in Actie start noodhulp na aardbeving in Venezuela 

De chaos is enorm: gebouwen zijn ingestort en reddingsteams zoeken onder moeilijke omstandigheden naar mensen die nog vastzitten. Families verkeren in angst en onzekerheid terwijl zij wachten op nieuws over hun geliefden. 

Geef nu

Groot tekort aan schoon drinkwater 

Voor veel mensen veranderde het leven in enkele seconden. Huizen zijn zwaar beschadigd of volledig verwoest, waardoor gezinnen plotseling zonder onderdak zijn komen te zitten. Velen weten niet waar zij de komende nachten veilig kunnen doorbrengen. Daarnaast is er een groot tekort aan schoon drinkwater, voedsel en andere eerste levensbehoeften. 

Situatie verergert 

De aardbeving treft een land dat al in een uiterst kwetsbare situatie verkeert. Al vóór deze ramp hadden bijna 8 miljoen mensen in Venezuela humanitaire hulp nodig. De gevolgen van de aardbeving dreigen deze noodsituatie verder te verergeren. 

Kerk in Actie komt samen met lokale partners direct in actie om hulp te bieden waar die het hardst nodig is. Via het noodhulpprogramma van Kerk in Actie worden getroffen gezinnen ondersteund met voedsel, schoon drinkwater, hygiëneproducten en andere essentiële hulpgoederen. 

Help mee 

Juist nu is snelle hulp van levensbelang. Met jouw gift kan Kerk in Actie helpen en perspectief bieden aan mensen die alles zijn kwijtgeraakt. Geef online via de onderstaande button of maak je bijdrage over via rekeningnummer NL89 ABNA 0457 457 457 onder vermelding van ‘Noodhulp Kerk in Actie’. Dank voor jouw gift! 

Geef nu

NB: Voor een noodhulpcollecte in de kerk zijn een collecteafkondiging, kerkbladbericht, collectesheet en een filmpje beschikbaar.

 lees verder
 
Collecterooster Protestantse Kerk/Kerk in Actie 2027 is uit!

Het collecterooster sluit aan bij het jaarthema van de Protestantse Kerk voor 2026/2027: ‘Beweeg mee! Kerk-zijn in het krachtenveld van Christus’. Dit thema nodigt gemeenten uit om niet stil te blijven staan, maar actief deel te nemen aan wat God doet in de wereld. Collecteren is daarin meer dan een financiële bijdrage: het is een concrete manier om geloof, vertrouwen en verbondenheid uit te drukken. Door te geven, worden gemeenten onderdeel van een wereldwijde beweging van zorg en betrokkenheid. Zo zijn we samen kerk in actie.

Breed palet aan projecten

In het collecterooster 2027 staat opnieuw een breed scala aan projecten centraal. Gemeenten ondersteunen daarmee werk op het gebied van:

  • Noodhulp: zoals hulp aan ontheemden in Myanmar en Burkina Faso
  • Werelddiaconaat: bijvoorbeeld landbouwprojecten in Nepal en Guatemala
  • Zending: zoals ondersteuning van kerken in Marokko en Nicaragua
  • Binnenlands diaconaat: onder andere armoedebestrijding en hulp aan gevangenen in Nederland

Daarnaast wordt er gecollecteerd voor doelen op het gebied van missionair werk, pastoraat en jonge generaties binnen de Protestantse Kerk.

De projecten zijn zorgvuldig afgestemd op het kerkelijk jaar en op actuele thema’s. Zo wordt op Biddag (en rond Internationale Vrouwendag) gecollecteerd voor boerinnen in Ghana en rond Wereldvluchtelingendag voor kerkelijk werk onder migranten in Marokko.

Wereldwijde verbondenheid

Veel projecten laten zien hoe kerken wereldwijd van betekenis zijn voor hun omgeving. Of het nu gaat om jongeren die toekomstperspectief krijgen in Moldavië, vluchtelingen die worden opgevangen in Zuid-Soedan of kerken die hoop bieden in Oekraïne: overal speelt de lokale kerk een sleutelrol. Kenmerkend voor Kerk in ActieVerder lezenWat maakt Kerk in Actie uniek? is dat er altijd wordt samengewerkt met lokale kerken en organisaties. Daardoor is de hulp duurzaam en blijft deze ook bestaan nadat een project officieel is afgerond.

Extra informatie per collecte

Het landelijke collecterooster 2027 is bedoeld als handreiking voor diaconieën bij het samenstellen van hun eigen plaatselijke rooster. Bij elk project is duidelijke informatie beschikbaar, inclusief materialen zoals verhalen, foto’s en/of video’s.

Gemeenten kunnen er ook voor kiezen zich extra te verbinden aan een actieland, om gedurende meerdere jaren betrokken te zijn bij specifieke projecten. In de brochure staan daarnaast tips voor een maximale collecteopbrengst, nuttige achtergrondinformatie en afdrachtgegevens.

Samen verschil maken

Diakenen, ZWO-commissies en kerkrentmeesters ontvangen het collecterooster 2027 automatisch; het is ook online beschikbaar. Extra exemplaren zijn te bestellen via de webwinkel.

>> Bekijk het collecterooster op kerkinactie.nl/collecterooster.

 

 lees verder
 
Buurtpastor Anne Grijzenhout: “De dienst aan de wereld is buiten het kerkgebouw”  

  • buurtpastor en diaconaal werker in wijkgebouw De Bron in Rotterdam, daarvoor acht jaar communicatiemedewerker bij Wycliffe Bijbelvertalers, de laatste twee jaar in de rol van relatiebeheerder kerken.
  • hbo Journalistiek, nu bezig met hbo Theologie 

Hoe ervaar je je roeping? 

“Ik heb hier de functie van buurtpastor en diaconaal werker. Als buurtpastor ben ik er voor alle bezoekers. Aanwezig zijn is vaak al genoeg, het gesprek ontstaat vanzelf. Als diaconaal werker ben ik juist heel praktisch bezig. Zo zorg ik er bijvoorbeeld voor dat de voedselverdeling blijft lopen, ben ik vraagbaak of help ik bij het repareren van een fiets. Toen ik de vacature voor pionier bij De Bron zag en een dagje meeliep, wist ik meteen: dit is waarom ik de studie Theologie ben gaan doen.” 

Wat heb je nodig om met vrucht en vreugde te werken?  

“Tijd doorbrengen met God is voor mij onmisbaar: de stilte zoeken, bijbellezen, bidden, naar de kerk gaan en gesprekken voeren met andere gelovigen. Daarnaast is de samenwerking met collega’s, vrijwilligers en bezoekers van De Bron belangrijk.” 

Hoe zorg je ervoor dat je niet opbrandt?  

“Ik probeer mijn grenzen te bewaken, dat is echt nodig. Er zijn hier zo veel problemen, je kunt niet alles op je schouders nemen. Ik woon zelf niet in Rotterdam, na het dichttrekken van de deur heb ik een halfuur reistijd om alles te verwerken, dat helpt. Verder zoek ik ontspanning in lezen, koken, muziek of een potje FIFA op de PlayStation. En in tijd doorbrengen met mijn gezin, de familie eromheen en vrienden.” 

Welk onderdeel van je werk doe je het liefst?  

“Eens in de twee weken is hier een laagdrempelige ontmoetingsdienst. Ik vind het heel mooi om daarin voor te gaan. Ik probeer het evangelie op een begrijpelijke manier over te brengen. Dat is best een hele uitdaging, want er komt hier een gemengde groep van internationale bezoekers, gelovig en niet-gelovig. Ik denk goed na over wat ik zeg en hoe ik het breng. Daarnaast help ik graag mensen met hun vragen. Dat kan heel praktisch zijn. Ik ben handig op computer en telefoon, kan snel iets fiksen. Maar ook koffie- en theezetten en schoonmaken horen daarbij.” 

Welke scholing heb je voor het laatst gevolgd?  

“Hbo Theologie. Ik zie regelmatig interessante opleidingen en cursussen voorbijkomen, maar daar heb ik nu geen tijd voor.” 

Zie je in je werk dat Gods Geest aan het werk is?  

“Zeker. Dat zie ik bijvoorbeeld bij de vrijwilligers die hun talenten willen inzetten voor de mensen om hen heen. En ook in het contact met studenten. De meeste bezoekers van De Bron zijn 60-plus, maar we willen er voor de hele wijk zijn. Aan de overkant van de straat staat een studentenhuis met 60 studenten. Op een dag schoof een van hen aan bij de koffie, en inmiddels komen vaker studenten langs, bij een activiteit of als vrijwilliger. Een van hen gaat zelfs de Alphacursus doen. Daarin zie ik Gods aanwezigheid.” 

Welk boek, welke film of podcast raad je collega’s aan? 

“Het boek Hoe Jezus de wereld op zijn kop zet (en mijn leven ook) van Shaine Claiborne. Best een radicaal boek dat stimuleert om de Bergrede in de praktijk te brengen. Volgens mij was Jezus zelf ook radicaal. Het daagt mij uit om radicaal christen te zijn. Ik wil iedereen die ik bij De Bron ontmoet, van welke achtergrond ook, iets van Jezus’ liefde meegeven, er voor de ander zijn. Zoals in Matteüs 25 staat: ‘... alles wat jullie gedaan hebben voor een van de geringsten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor Mij gedaan.’” 

Welke bijbeltekst gaat met je mee?  

“Dat zijn er twee. Johannes 15:1-8: een aansporing om dicht bij Jezus te blijven leven, zonder Hem kan ik niets. En Filippenzen 4:6-7, mijn belijdenistekst. ‘Wees over niets bezorgd, maar vraag in alle omstandigheden aan God wat u nodig hebt en dank Hem in uw gebeden. Dan zal de vrede van God, die alle verstand te boven gaat, uw hart en gedachten in Christus Jezus bewaren.’ Deze teksten komen regelmatig bij me boven en herinneren me eraan dat iets zonder Jezus geen vrucht kan dragen en dat je niet bezorgd hoeft te zijn maar alles bij God neer mag leggen.” 

Wat hoop je voor de toekomst van de kerk? 

“Jezus zei: ‘De velden zijn wit om te oogsten.’ In Rotterdam zijn er nog zo veel mensen buiten de kerk die niets weten van het bevrijdende evangelie van Jezus. Daar ligt een duidelijke taak voor de kerk. De kerk is vaak druk met interne zaken en vergeet soms haar eigen opdracht: ‘Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen', Matteüs 28:19. De kerk mag die opdracht serieuzer nemen. Aan het werk! In de kerk kom je om op adem te komen, maar er is een dienst aan de wereld en die is buiten het kerkgebouw.” 

 lees verder
 
Belastingdienst scherpt regels voor ANBI’s aan

Het volstaat dus niet om als gemeente of diaconie zomaar geld achter de hand te houden voor de zekerheid of voor de toekomst. Per reserve moet kunnen worden uitgelegd waarvoor het geld is bestemd. 

Waarom is dit belangrijk? 

Alle gemeenten en diaconieën van de Protestantse Kerk hebben een ANBI-status. Die biedt fiscale voordelen voor de gemeente, omdat giften aan de kerk vrij van schenkbelasting en erfstellingen vrij van erfbelasting mogen worden ontvangen. Voor giftgevers is het voordeel dat zij giftenaftrek kunnen krijgen.

Aan die status zijn vanuit de overheid verplichtingen verbonden. Zo moet er dus voortaan een onderbouwing van reserves worden opgenomen in het beleidsplan en in de financiële administratie. De bewijslast hiervan ligt bij de gemeente of diaconie zelf. Een gemeente of diaconie die deze onderbouwing niet heeft, riskeert het verlies van de ANBI-status. 

Richtlijn in de maak 

In beginsel is iedere rechtspersoon binnen de Protestantse Kerk volledig zelf verantwoordelijk om te voldoen aan de ANBI-regels. Deze aanscherping komt van de Belastingdienst, niet van de landelijke kerk. 

Vanuit de dienstenorganisatie, VKB Kerkrentmeesters, Federatie van Diaconieën en GCBB wordt er gewerkt aan een richtlijn die gemeenten en diaconieën praktische handvatten geeft voor een helder en verdedigbaar reserveringsbeleid dat voldoet aan de ANBI-regeling. Daarbij wordt ook bekeken in welke gevallen de Belastingdienst strenger lijkt te zijn dan de wet en hoe daarmee moet worden omgegaan. Het maken van de richtlijn vraagt om zorgvuldige afstemming. Op dit moment is nog niet bekend wanneer de richtlijn gereed is. 

Wat kunnen gemeenten en diaconieën nu al doen? 

Voorlopig kunnen gemeenten en diaconieën dit beleid afwachten. Desondanks kunnen zij zich intern al voorbereiden. Zij kunnen nu al beginnen door de reserves tegen het licht te houden: hoe groot zijn ze en kan per reserve worden uitgelegd wat de bestemming ervan is? 

Als er nu al vragen zijn, is een gesprek met het CCBB een goede eerste stap. Ook kan informatie ingewonnen worden bij de VKB Kerkrentmeesters. En als er forse veranderingen plaatsvinden waarop de colleges zich moeten beraden, zoals het (her)bestemmen van vermogen of grote legaten voor de lange termijn, dan kan het raadzaam zijn al eerder advies in te winnen. 

 lees verder
 
Aan tafel met de scriba en theoloog Edwin van Driel: "Jullie in Nederland zijn verder dan wij in Amerika"

Edwin van Driel is hoogleraar theologie in Pittsburgh (VS). Zijn expertise: het floreren van christelijke gemeenschappen in een seculiere context. Kees van Ekris ontmoette hem twee jaar geleden, toen Van Driel met Amerikaanse theologiestudenten Nederland bezocht. "Hij zei me toen dat wij in Nederland volgens hem verder zijn dan zij in Amerika", vertelt Van Ekris. "Wij zijn op veel plekken door de secularisatie heengegaan, en hij ziet juist creativiteit en inventiviteit in onze kerk. Dat verraste me. Om me heen merk ik vaak negativiteit over onze kerk, ook in de kerk zelf. En nu hoorde ik een stem van buiten daar heel anders over denken. Dat boeide me."

Wie is Edwin van Driel?

Van Driel had een vormende invloed op de Britse theoloog Sam Wells, bekend van zijn denken over being with. In 2025 verscheen zijn boek The Incarnation as God's First Intention, over God die al vanaf het begin – en dus niet pas na de zondeval – mens wil worden. Dit voorjaar sprak hij voor de Zwitserse zusterkerk over de theologische betekenis van de kerk vandaag. Vooral daarover gaat het gesprek op 24 juni: wat is de spirituele en theologische betekenis van de kerk in onze postseculiere tijd?

Naast Van Ekris en Van Driel zit ook Jan Martijn Abrahamse aan tafel, lector aan de Christelijke Hogeschool Ede en auteur van Verlangen naar het heilige.

Tafels van de scriba

Deze ontmoeting is onderdeel van de reeks 'tafels van de scriba': inspiratiemomenten waarin de scriba met experts in gesprek gaat over thema's die ertoe doen voor kerk en geloof. De tafels zijn bedoeld als instrument voor visievorming en beleidsontwikkeling, maar willen ook breder bijdragen aan inspiratie, netwerkvorming en een cultuur van reflectie en contemplatie binnen de kerk. In het najaar volgen meer tafels.

Praktische informatie en aanmelden

Het gesprek vindt plaats op woensdag 24 juni om 15.45 uur in de kapel van het dienstencentrum in Utrecht, duurt ongeveer een uur en de voertaal is Nederlands. Er is ruimte voor een beperkt aantal deelnemers. Laat weten of je interesse hebt om deze tafel bij te wonen. Je hoort dan zo snel mogelijk of je welkom bent!

 lees verder
 
Hugo de Jonge wordt nieuwe voorzitter CIO

De Jonge is lid van de Protestantse Kerk in Nederland en momenteel de Commissaris van de Koning in Zeeland. Eerder was hij tussen 2022 en 2024 respectievelijk minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het kabinet-Rutte IV. Daarvoor was hij viceminister-president en minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in het kabinet-Rutte III en wethouder onderwijs, jeugd en zorg in Rotterdam. De heer De Jonge startte zijn loopbaan in het onderwijs. 

Trijnie Bouw zit namens de Protestantse Kerk in het moderamen van CIO en zegt blij te zijn met de benoeming: “Hugo de Jonge brengt met zijn bestuurlijke ervaring en kerkelijke betrokkenheid precies de combinatie die het CIO nodig heeft. Ik heb goede verwachtingen van zijn voorzitterschap en ben dan ook enthousiast over deze aanstelling.”

Het Interkerkelijk Contact In Overheidszaken is een samenwerkingsverband van 26 christelijke kerken en 2 joodse gemeenschappen en behartigt hun gemeenschappelijke belangen bij de (Rijks)overheid. 

 lees verder
 
Leesrooster of vrije tekstkeuze: wat dient de gemeente het beste?

‘De kerk schrijft voor waarover gepreekt moet worden’, of ‘je kunt het gastpredikanten niet opleggen om in het beperkte aantal uren dat vergoed wordt over een verplichte tekst te preken’, wordt wel gezegd. Die opmerkingen zijn te begrijpen, maar gaan voorbij aan de waarde van het gebruik van een leesrooster.

Doorgaande lezing 

De Reformatie – die brak met de rooms-katholieke wijze van vieren – legde de nadruk op de dienst van het ‘Woord’. ‘Woord’ moet hier worden opgevat als ‘Christus’, het vleesgeworden Woord, mensgeworden belofte. Met het uitgangspunt van het ‘sola scriptura’ (alleen de Schrift) kwam na verloop van tijd de nadruk eenzijdig op het prediken uit de Schrift te liggen als (enige) hoofdonderdeel van de eredienst. Het kerkelijk jaar deed er niet meer toe zoals voorheen. Wel werd vaak een vorm van lectio continua gebruikt, waarbij door hele bijbelboeken heen gelezen en gepreekt werd, en de psalmen werden op een rij van 1 tot 150 doorgezongen. Maar dat gebeurde ongeacht of het Advent was, zomer, tijd voor Pasen of kerstochtend. 

In de 20e eeuw ontstond er in het gereformeerd protestantisme weer opnieuw relatie met de liturgische tijd van het jaar. Het was vooral de oecumenisch georiënteerde Liturgische Beweging die weer terugging naar de verbondenheid met de catholica: rooms- en oud-katholieke liturgische elementen, anglicaanse en lutherse. In die beweging greep men ook terug op leesroosters die al sinds eeuwen en ook wereldwijd verbonden zijn met het kerkelijk jaar. 

Willekeur tegengaan 

Een belangrijk argument was om ‘willekeur’ tegen te gaan, van predikanten die ieder hun eigen vorm van ‘liturgie’ meebrachten en zelf lezingen kozen. Daartegenover stond het principe dat de liturgie ‘van de gemeente’ was en niet per week van vorm wisselde, afhankelijk van de toevallige gastpredikant. Anders worden vaste vormen en rituelen immers na verloop van tijd amper nog herkend, omdat iedereen het anders doet. Dat maakt de gemeente passief. En dat terwijl de liturgie juist in de gemeente wortelt, niet in het predikantsambt. 

Afgezien van herkenbare vaste vormen in de liturgie is het gebruik van leesroosters een manier om zich in een bepaalde ‘objectieve orde’, een voorgegeven werkelijkheid, te voegen. Er zijn eenjarige of driejarige roosters van lezingen die vanouds bij een bepaalde zondag horen. Zodoende maakt een gemeente elk jaar de beweging door de gang van het liturgische jaar heen en bouwt door een herhaalde ervaring een steeds rijker geloof op. Het sluit immers elk jaar weer aan op wat er het jaar ervoor gehoord en beleefd is. In drie jaar loop je steeds dezelfde cirkels langs bijbelverhalen. 

Verbondenheid met de oecumene 

Het volgen van een leesrooster is dus niet zonder meer een beslissing van een kerk, maar het komt voort uit een bewustwordingsproces van verbondenheid met de kerk van alle eeuwen en plaatsen – óók als er in die kerk door de tijden heen variaties zijn geweest. Men sluit (weer) aan bij de hoofdstroom van de Kerk van alle tijden. 

Maar er is nog wat. De kerkdienst is bedoeld om de gelovige kerkgangers spiritueel te voeden, of anders gezegd: om hun geloof op te bouwen (te ‘stichten’). Als je vanuit dat educatieve doel van geloofsopbouw kijkt, dan is het merkwaardig om week aan week kriskras door de Bijbel heen te gaan. Dan zit er veel minder een continue en opbouwende lijn in. Je kunt daartegenin brengen dat de Schriftkeuze door de Geest is geleid en dat daarom de Dienaar des Woords daar een eigen vrijheid in moet houden. Dat is zo. Maar diezelfde Geest heeft ook de traditie van de kerk altijd geïnspireerd. En het ene uitgangspunt sluit het andere niet per definitie uit. 

Krimpende kerk 

Zeker in een krimpende kerk met veel deeltijd predikantsaanstellingen en daardoor veel gastpredikanten in de gemeenten, is de doorgaande lijn van de prediking van week tot week vaak zoek. Het gebruik van een leesrooster ondervangt dat. En vanuit de predikant gezien: zo eenvoudig is het niet om als gast in een gemeente aan te voelen waar de preek de komende zondag over zou moeten gaan. Als je je dan voegt in een gegeven traditie levert dat vaak verrassende inzichten op, omdat de teksten die om de drie jaar terugkeren steeds toegepast kunnen worden op een nieuwe situatie en in een nieuwe tijd. Omgekeerd geredeneerd: als je steeds met nieuwe ogen naar de tekst kijkt, wordt die tekst rijker en leer je hem dieper verstaan. 

Te beperkt? 

Een kritiekpunt is vaak dat grote delen uit de Bijbel niet meer aan de orde komen. Dat kritiekpunt is terecht, maar toch is er meer ruimte dan het lijkt. Leesroosters bieden lezingen uit het Oude Testament, uit de brieven en uit de evangeliën. Daarbij hoeft niet steeds uit het evangelie gepreekt te worden. Integendeel, het is juist zeer goed mogelijk een tijdje de brieven uit te diepen, of de profeten. Wel is waar dat de doorgaande lijn in de klassieke roosters door de evangeliën bepaald wordt, zij verbinden de zondagen aan elkaar. Daarnaast echter biedt de Raad van Kerken elke negen jaar roosters aan, waarbij er regelmatig een alternatieve lijn wordt aangeboden uit andere bijbelboeken. Volgt men die steeds, dan komt toch een heel groot deel van de Bijbel aan de orde, bekeken vanuit de eenheid van de bijbelboeken zelf. 

Beide legitiem 

Het gebruik van leesroosters of de vrije tekstkeus is allebei legitiem. Maar beide vertrekken vanuit een ander uitgangspunt en daar ontstaat de verwarring. De gemeenten die leesroosters gebruiken, leggen de nadruk op de ‘objectieve’ voorgegeven orde, een cyclus van waaruit men steeds leeft en gelooft in verbondenheid met de wereldkerk. De gemeenten die de vrije tekstkeus hanteren, laten zich meer leiden door de vrijheid van de Dienaar des Woords en het werken van de Geest daarin. Het laatste laat zich met liedsuggesties vanuit de landelijke kerk wel moeilijker ondersteunen, omdat elke gemeente elke zondag andere bijbelteksten hoort. 

De ‘prekenserie’ is overigens van alle tijden, ook in de gereformeerde traditie. Maar die zou dan niet afhankelijk moeten zijn van waar de predikant toevallig theologisch mee bezig is, maar het uitgangspunt voor hoe de gemeente het beste spiritueel gevoed wordt.

-----

Tip: periodeliturgie

Bij het dienstboek zijn periodeliturgieën te vinden. In deze liturgie is voor elke periode van het liturgische jaar er een eenvoudige liturgische lijn beschikbaar die als basis kan dienen voor erediensten. Deze periodeliturgieën zijn vooral bedoeld voor liturgiecommissies in gemeenten met veel wisselende voorgangers. Door vaste elementen per seizoen te gebruiken, ontstaat er meer continuïteit tussen de verschillende zondagen. Ook kan de periodeliturgie dienen als uitgangspunt wanneer gemeenteleden zelf een eredienst voorbereiden, bijvoorbeeld in combinatie met het Leesrooster+.

-----

Uit de praktijk

 

“Onbekende teksten leiden vaak tot de beste preken” 

“Een leesrooster dient de opbouw van de gemeente. Het heeft niet alleen betrekking op de eredienst, het geeft een bewustwording waar we ons in het jaar bevinden en het dient het geloofsgesprek. Zelf heb ik wat moeite met de eigen keuze van lezingen. Het heeft iets van willekeur. Ook teksten die je misschien zelf niet zou kiezen kunnen heel uitdagend zijn. Het heeft ook iets te maken met discipline voor de voorganger: je preekt over alle verhalen die langskomen, niet alleen over je favoriete. In mijn ervaring leiden onbekende teksten vaak tot de beste preken. Je hoort de verbinding die de voorganger is aangegaan met de woorden in de tekst. Ik heb er zelf nooit last van gehad dat ik door een ‘voorgeschreven’ tekst geen rekening kon houden met wat er speelt in de gemeente of niet kon inspelen op de actualiteit. Ik wist altijd wel een aanknopingspunt te bedenken. Het heeft ook te maken met hoe je preekt, exegetisch of juist homiletisch, in gesprek met de tekst. Ik voel mezelf meer uitgedaagd door een onbekende tekst. Die kan me op verrassende sporen brengen en een horizon voor me openen. Ik pleit dus voor gebruik van een leesrooster. Het oecumenisch leesrooster, een van de meest gebruikte leesroosters in de Protestantse Kerk, heeft nog weer als voordeel dat het in veel kerkgenootschappen gebruikt wordt. Je zou dan eigenlijk kunnen zeggen: 'De kerk leest vandaag …’. Want dat oecumenisch leesrooster is gebaseerd op het driejarige rooster dat in een groot deel van de westerse kerk wordt gebruikt. Dat geeft een gevoel van verbonden zijn met de wereldwijde kerk.”Emeritus predikant Pieter Endedijk, gaat nog maandelijks voor en was betrokken bij de samenstelling van het oecumenisch leesrooster 2022-2031  

“Ik zoek naar wat past bij het karakter van de dienst” 

“In mijn gemeente is geen liturgiecommissie die hierin stuurt, ik ben vrij om het leesrooster te volgen of niet. Het geeft een enorme vrijheid om dat niet te doen en te kunnen aansluiten bij wat er in de diensten door het jaar heen gebeurt. We hebben veel afwijkende diensten, vaak themagericht of met een bijzonder karakter. Bij bijvoorbeeld de overstapdienst van groep acht, een doop- of belijdenisdienst zoek ik naar wat past bij de groep en bij het karakter van de dienst. En bij de zes diensten rond ons jaarthema zoek ik een Bijbelse verbinding met dat thema. Als ik het leesrooster moet volgen, wordt de brug toch wat gekunsteld. Ik ben eens in de zomer begonnen met een prekenserie. Dan kun je een thema, een bijbelboek of een Bijbels personage goed uitdiepen. Met het leesrooster kan dat niet. De gemeente reageerde er heel positief op. Ik vind het een rijkdom om het zo te kunnen doen. Ik snap de gedachte van de onderlinge eenheid als alle gemeenten dezelfde teksten lezen op zondag, maar ik hoop dat die eenheid dieper ligt dan het lezen van dezelfde bijbeltekst.” Arjan Bouman, predikant van de gereformeerde Ontmoetingskerk in Ureterp 

“Ik denk dat de preek beter wordt als je de tekst zelf kiest” 

“Als predikant kies ik zelf de lezingen. Vaak preek ik wel voor langere tijd uit hetzelfde bijbelboek, maar ik volg geen rooster. Een schilder zal best weleens een portret op bestelling willen maken, maar is waarschijnlijk op zijn best in waar hij zelf voor kiest. Dat geldt voor een predikant ook. Preken schrijven is een creatief proces, en ik denk dat de preek beter wordt als je de tekst zelf kiest. Daarnaast ligt er wat mij betreft in het oecumenisch leesrooster een te groot accent op de evangeliën. Voor mij bestaat de Bijbel uit twee stukken, en het Nieuwe Testament is niet hoger dan het Oude. Achter in het Dienstboek staat een 10-jarig rooster, dat in 10 jaar de hele Bijbel doorgaat. Daar pleit ik voor, ik vind dat je uit de hele Bijbel moet kunnen preken. Volgende maand neem ik afscheid van deze gemeente, ik ben hier dan 12 jaar predikant geweest. Als ik het rooster had gevolgd, had ik bij wijze van spreken elke drie jaar over de bruiloft in Kana gepreekt. Dat vind ik voor de gemeente niet goed. Tot slot vind ik dat je in de preek moet kunnen inspelen op de actualiteit, lokaal of nationaal. Je moet de ruimte hebben om je te laten uitdagen daarop in de preek te reageren.” Willem Maarten Dekker, predikant van de hervormde gemeente De Morgenster in Waddinxveen 

 lees verder
 
Kaarten en postzegels: waardevol voor het goede doel

Geld waard

Het is al van oudsher een traditie die ook nu nog actueel is: postzegels en kaarten sparen voor het zendingswerk van Kerk in Actie en de GZB (Gereformeerde Zendingsbond). In 2025 bracht dit het prachtige bedrag van € 25.255,90 op.  Vrijwilligers sorteren de postzegels en ansichtkaarten en verhandelen ze via verkoopadressen en (inter)nationale beurzen. Ansichtkaarten gaan naar verzamelaars op beurzen of worden te koop aangeboden op websites als Marktplaats. 

Wat wel en niet inleveren?

Welke kaarten kun je inleveren, en welke juist niet? We zetten ze op een rij.

Lever deze kaarten wel bij ons in:

  • ansichtkaarten (enkel kaarten, die niet in een envelop verstuurd worden)
  • bijzondere kaarten: Anton Pieck, Voor het kind, Stichting Kinderpostzegels

Deze kaarten kunnen we niet gebruiken:

  • geboortekaartjes
  • zelfgemaakte kaarten
  • dubbele kaarten
  • afgeknipte kaarten
  • kaarten die helemaal onder het plakband zitten
  • kaarten met gaten
  • kaarten waar de postzegel vanaf geknipt is. 

Oude mobieltjes, cartridges en buitenlands geld

Er zijn nog meer oude spullen die geld opleveren voor het zendingswerk. Ook oude mobieltjes en inktcartridges kun je inleveren voor het goede doel. Via het inzamelprogramma van het bedrijf Eeko ontvangt Kerk in Actie voor veel ingeleverde telefoons of cartridges een vergoeding. In 2025 bracht dit € 2.427,10 op. Daarnaast kun je ook buitenlands geld en oud Nederlands munt- en briefgeld sparen. Kerk in Actie verkoopt het aan banken, handelaars en verzamelaars. In 2025 bracht dit € 1.000,- op.

Waar kun je inleveren?

In de meeste gevallen lopen deze acties via plaatselijke kerken in het land. Je kunt postzegels, kaarten, oude mobieltjes en cartridges inleveren bij lokale kerken die meedoen aan deze actie (zie de lijst met inleverpunten) én bij de receptie van het landelijk dienstencentrum van de Protestantse Kerk in Utrecht.  

Met de opbrengst ondersteunt Kerk in Actie het werk van de zusters diaconessen in Rwanda. Zij helpen moeders van ondervoede kinderen door hen te leren hoe ze hun kinderen van genoeg en gezonde voeding kunnen voorzien. De vrouwen krijgen groentezaden uitgereikt en drie buizen met voedzame moestuingrond om thuis groenten in te kweken. Ook krijgt ieder gezin twee kippen van drie maanden oud, zodat ze hun kinderen eieren te eten kunnen geven.

Met de opbrengst kunnen Kerk in Actie en de GZB veel mensen in nood ondersteunen. Hartelijk dank voor jouw bijdrage! 

Klik hier voor een stappenplan 

 lees verder
 
Wij zijn een presbyteriaal-synodale kerk!

Het zal niet vaak met trots hardop gezegd worden dat we als Protestantse Kerk presbyteriaal-synodaal zijn. Toch stuurt dit model de praktijk van ons kerk-zijn. In het kort komt dat op het volgende neer. Presbyteriaal geeft aan dat de leiding over de gemeenten in handen is van een gekozen raad van ambtsdragers. Synodaal wijst op de verbinding van de lokale gemeenten in het kerkverband als geheel. Lokale gemeenten zijn zelfstandig, maar niet opzichzelfstaand. Om de eenheid te bewaren en gezamenlijk besluiten te nemen, kennen we de zogenaamde 'meerdere vergaderingen', classicaal en landelijk, waarin lokale ambtsdragers zijn afgevaardigd.

Zorgvuldig samenspel

Op papier klinkt dat mooi, maar in de praktijk vraagt het om een zorgvuldig en respectvol samenspel tussen de diverse gremia, waarbij formele macht wordt erkend en informele macht wordt herkend en waar nodig ontmaskerd. De praktijk laat zien dat binnen datzelfde model diversiteit in interpretatie en beleving bestaat. Dat het hart van de kerk in de lokale gemeente klopt, wordt breed gedragen. Maar welke rol en plaats de bovenlokale kerk moet hebben, daar begint het soms grote verschil. De een ziet die rol als klein en afgeleid, de ander acht die rol groter en van meer belang. Daarnaast zie ik de nodige ambivalentie, ook bij collega's. Aan de ene kant moet 'het land' (wie dat dan ook is) niet denken dat het zelf iets te zeggen heeft en zeker niet over jou. Aan de andere kant klinkt richting datzelfde 'land' de roep om iets te doen of te zeggen als er wat misgaat in de kerk (of de samenleving). We zijn presbyteriaal-synodaal, maar we zijn ook divers en ambivalent.

Verschil tussen gemeenten

Het is een mooie prestatie geweest om, ondanks deze diversiteit en ambivalentie, en voortkomend uit drie kerkelijke tradities, te komen tot een gezamenlijke kerkorde. Dat was nodig om de vereniging tot Protestantse Kerk tot stand te brengen. Maar 20 jaar later leven we in een andere werkelijkheid waarin andere dingen nodig blijken. Zelf werk ik nu 35 jaar voor en in onze kerk en heb dat zien gebeuren. Deze tijd kent eigen uitdagingen en mogelijkheden, waarbij het verschil tussen de gemeenten onderling erg groot kan zijn.

Zolang we ons presbyteriaal-synodale bouwwerk met voldoende mensen en middelen fier overeind konden houden, hadden diversiteit en ambivalentie een zekere charme. Nu kunnen ze ons juist in de weg zitten om op een goede en geestelijke, kortom wijze manier om te gaan met de uitdagingen én mogelijkheden van de tijd waarin wij leven. Nuchter en waakzaam, en tegelijk vanuit hoop en verwachting. Welke richting zien we met elkaar? Hoe bespreken we die? Wie committeert zich waaraan?

Werkcultuur dienstenorganisatie

Waar duidelijk wordt hoe ons eigen stelsel ons in de weg kan zitten, blijkt uit het onderzoek naar de werkcultuur in de dienstenorganisatieVerder lezenOnderzoek werkcultuur dienstenorganisatie waartoe de kleine synode opdracht heeft gegeven. Naast een gedegen analyse van allerlei interne patronen en stijlen die echt anders moeten, ziet het onderzoeksbureau AEF een stuurloze en richtingloze organisatie. Het ontbreekt aan een duidelijke, eenduidige, duurzame, concrete en werkbare richting vanuit de synode. Er zijn grote veranderprojecten vanuit de synode in gang gezet zonder goed zicht te hebben op de consequenties voor de werkvloer. Ook de genoemde diversiteit en ambivalentie speelt de organisatie parten. Voor de een is 'Utrecht' het symbool van regelgeving van bovenaf, voor de ander doet 'Utrecht' te weinig om zaken tot stand te brengen. De ene keer doet 'Utrecht' te veel, de andere keer te weinig, de ene keer is er te veel inhoud, de andere keer te weinig. Zo zadelen we als kerk onze medewerkersVerder lezenOntmoet... van de dienstenorganisatie op met een schier onmogelijke opdracht en overschaduwt dit sentiment het goede werk dat er door de betrokken medewerkers (want de passie is groot, zo bleek ook uit het onderzoek) namens ons allen en voor ons allen wordt gedaan.

Hoe spreken we over elkaar?

Waar we als moderamen op hopen en aan werken, en waar ik persoonlijk naar verlang, is dat we de kracht van ons presbyteriaal-synodale stelsel volop gaan inzetten om ook hierin verder te komen. Natuurlijk, de synode is aan zet. Maar de synode kan haar werk alleen goed en gevoed doen als op alle plekken die ertoe doen het gesprek wordt gevoerd vanuit het besef dat we er samen voor staan. Het gesprek over wat het betekent om als gemeente wel zelfstandig maar niet opzichzelfstaand te zijn. Over hoe we onderlinge samenwerking en solidariteit vormgeven. Over hoe we ons verhouden tot de classis. Over wat we zien als voornaamste roeping van de landelijke kerk in onze tijd. Over wat dat betekent voor synode, moderamen, preses en scriba. En voor de dienstenorganisatie. En over hoe we als voorgangers en ambtsdragers over 'het land' of 'Utrecht' spreken.

Het georganiseerde kerkbrede gesprek is gevoerd, en dat was goed. Maar als het gesprek over hoe we kerk zijn en willen zijn in kerkenraden en werkgemeenschappen, in classicale vergaderingen en in alle andere beraden die we kennen gevoerd wordt, gaat het stromen. Dan vinden we opnieuw een gezamenlijke weg, met inbegrip van onze diversiteit en ambivalentie. Het is ooit gelukt om daarin en daarmee tot de Protestantse Kerk te komen. Nu mogen we met elkaar een nieuwe stap zetten op weg naar een toekomstbestendige kerk en organisatie, ons bewust van onze gezamenlijke roeping om Jezus Christus na te volgen, God te eren, en elkaar en de wereld te dienen. Doet u, doe jij mee?

Met een hartelijke groet, ds. Trijnie Bouw

 lees verder
 
Europese protestantse kerken vergaderen in Doorn

Van donderdag 28 tot zaterdag 30 mei vergaderde de raad van de Community of Protestant Churches in Europe (CPCE) in conferentiecentrum Hydepark in Doorn. Ds. Marco Batenburg vervulde als afgevaardigde van de Protestantse Kerk de rol van gastheer.

Wat is de CPCE?

De CPCE is een oecumenische gemeenschap van 96 lutherse, methodistische, gereformeerde en verenigde kerken uit meer dan dertig landen in Europa en Zuid-Amerika. Samen vertegenwoordigen zij ongeveer 50 miljoen protestanten.

De basis van deze gemeenschap is de Konkordie van Leuenberg (1973). In dit document spreken de ondertekenaars uit dat zij elkaar raken in het hart van het evangelie. Lutheranen en calvinisten staan zo dicht bij elkaar in het geloof dat zij durven zeggen: wij zijn één kerk. Concreet betekent dit kansel- en avondmaalsgemeenschap: wie in de ene kerk preekt of sacramenten bedient, is daartoe ook welkom in de andere kerken. De kerkorde van de Protestantse Kerk erkent de Konkordie van Leuenberg als wezenlijk voor het gemeenschappelijk verstaan van het evangelie. Naast de Protestantse Kerk zijn ook de Evangelische Broedergemeente en de Remonstranten lid van de CPCE.

Een avond over kerk-zijn in Nederland

Op donderdagavond nodigde de Protestantse Kerk vertegenwoordigers van de Nederlandse lidkerken uit om te delen wat er in deze tijd in de kerk speelt. Aan tafel zaten (op de foto van links naar rechts):

  • Ds. Kees van Ekris (Protestantse Kerk in Nederland)
  • Ds. Stefan Bernhard (Evangelische Broedergemeente)
  • Ds. Rita Famos (voorzitter presidium CPCE)
  • Ds. Margo Jonker (voorzitter Evangelisch-Lutherse Synode)
  • Ds. Susanne Schenk (algemeen secretaris CPCE)
  • Prof. Georg Plasger (lid presidium CPCE)
  • Ds. Marco Batenburg (afgevaardigde Protestantse Kerk, gastheer)
  • Bisschop Marko Titius (lid presidium CPCE)

Internationale kerkleiders kregen zo een inkijkje in de Nederlandse kerkelijke werkelijkheid; de Nederlandse deelnemers herkenden hun eigen vragen in wat Europese collega's meebrachten.

Thema's op de agenda

De raadsvergadering werkte aan beleidsthema's die de algemene vergadering van 2024 in Sibiu heeft vastgesteld, onder de titel 'Being Church Together in the Light of Hope'. Drie onderwerpen raken direct aan wat ook in Nederlandse kerken speelt.

Onder het thema veilige kerk wil de CPCE goede praktijken uit de lidkerken samenbrengen. Bij kerk-zijn in tijden van onzekerheid staat de vraag centraal wat het betekent om gemeente te zijn in een Europa dat worstelt met polarisatie en veranderende religieuze patronen. Verder wordt het rapport 'Ministry, Ordination, Episkopè' herzien, omdat in vrijwel alle Europese kerken ontwikkelingen rond het ambt plaatsvinden die om een geactualiseerde visie vragen.

Een levende gemeenschap

In de CPCE trekken kerken samen op rond gedeelde theologische vragen, wisselen publicaties uit en voeren gezamenlijk oecumenische gesprekken met onder anderen de Rooms-Katholieke Kerk, de Oosters-Orthodoxe kerk en de Europese Federatie van Baptisten.

Meer informatie over de CPCE: leuenberg.eu

 lees verder